Rechtbank ’s Gravenhage,
Postbus 20302
2500 EH den Haag
t.a.v. mevrouw Adriana C.J. van Dooijeweert Wilhelminaoord, 13 september 2006
Betreft gebrek aan communicatievermogen
Blijkens ontvangen brief van 17 augustus 2006-
Geachte Mevrouw,
Hoewel u in uw brief van 22 augustus 2006, naar ondergetekende aanneemt, in opdracht van Mr. Hofhuis geschreven, aangeeft dat het bestuur van de rechtbank zijn visie over deze zaak heeft gegeven waarmee zijn klacht zou zijn afgedaan, komt het hem, al was het alleen maar ter wille van de geschiedschrijving toch nog gewenst voor, niettegenstaande uw mededeling dat niet meer op de betreffende klacht zal worden gereageerd nog enkele kanttekeningen te plaatsen inzake de wijze waarop uw bestuur heeft gemeend de behandeling van de onderhavige zaak te kunnen afdoen.
Wat ondergetekende ten hoogste verbaasd heeft, is dat de president van uw rechtbank maanden lang de onnozele hals speelt door in de beantwoording van zijn brieven de suggestie te wekken, als zou hij de klacht van ondergetekende niet hebben begrepen.
In dit verband is het dan ook bepaald lachwekkend van u te vernemen dat het bestuur van uw rechtbank hieromtrent haar visie heeft bepaald.
Gezien het kwaliteitsaspect, zoals dit uit de nietszeggende brieven naar voren komt, waarbij u in uw laatste brief refereert aan het door het bestuur van uw rechtbank gegeven visie, zonder inhoudelijk op zijn klacht in te gaan, meent ondergetekende dan ook iedere beklaagde sterkte te moeten wensen die aan het oordeel van uw rechtbank onderworpen wordt.
De door u weergegeven conclusie dat zijn klacht thans is afgedaan getuigt dan ook van een niet geringe zelfoverschatting en arrogantie, die gelet op de wijze waarop getracht wordt deze zaak onder het tapijt te vegen hem niet alleen uiterst dom voorkomt, doch ook als buitengewoon lafhartig.
Het zou van respect getuigd hebben, indien aan ondergetekende in eerste aanleg zou zijn bericht, dat de president niet in de onderhavige kwestie wilde treden en hem direct naar elders zou hebben verwezen en wel met een meer voor de hand liggend advies dan waarvan u in uw laatste brief sprake is.
Indien de president zich tot deze boodschap zou hebben beperkt, dan zou hij ondergetekende veel tijd hebben bespaard en zou dit alsnog hebben bijgedragen tot enig respect voor uw organisatie.
Al hoewel dan weer de vraag onbeantwoord zou zijn gebleven waarom de president zich in deze zaak heeft gemengd.
Tot slot van de met uw instituut gevoerde correspondentie wil ondergetekende nog even kwijt dat, gelet op uw onwaarachtige opstelling om zich van iedere verdere reactie te onthouden, hem niet onverstandig voorkomt.
Hopelijk ligt aan uw besluit het inzicht ten grondslag dat u, door uw opstelling in de onderhavige zaak, het niet langer verantwoord acht het aanzien van de gerechtelijke macht nog verder te blameren.
Mocht u zich door dit schrijven beledigd of gekwetst voelen, dan zou ondergetekende, al was het alleen maar uit publiciteitsoverwegingen, het op prijs stellen, indien u een procedure tegen hem zou willen aanspannen.
Doch hij vreest dat het ook hier aan de nodige ruggengraat zal ontbreken.
Met vriendelijke groeten
w.g. J.C. de Wilde