Per kerende post werd hierop gereageerd.
In zijn brief d.d. 18 juli 2006 verwijst de president naar zijn brief van 7 februari, waarin hij mij heeft bericht mijn klacht d.d. 30 december 2005 ongegrond heeft verklaard.
Voorts geeft hij aan dat hij zijn beslissing heeft gebaseerd op het standpunt van de kantonrechter, zoals hij deze heeft weergegeven in zijn brief van 7 februari 2006 t.w.
Het beroep van de heer De Wilde heb ik gegrond verklaard en hij vroeg vervolgens om een reiskostenvergoeding. Die heb ik toegekend. De heer De Wilde zei ter zitting dat hij niet met het openbaar vervoer van zijn woonplaats naar Leiden kon komen, gelet op het aanvangstijdstip van de behandeling van zijn zaak. Ik heb hem gezegd dat hij dan de reiskosten per auto vergoed zou krijgen. Bij het op schrift stellen van de beslissing bleek mij dat de heer De Wilde mij onjuiste informatie had verstrekt.
U bestrijdt niet dat u ter zitting hebt meegedeeld hetgeen in het citaat staat weergegeven. De mededeling van uw kant was voor de behandelend kantonrechter te zitting aanleiding om toe te zeggen dat de door u gemaakte autokosten zouden worden vergoed Op basis van informatie die de kantonrechter later onder ogen is gekomen, heeft zij besloten van die toezegging terug te komen. Zoals ik u reeds heb meegedeeld treed ik niet in de beoordeling van een inhoudelijke beslissing van een kantonrechter. Om die reden kan ik ook niet beoordelen of de kantonrechter zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat u haar onvolledig hebt geïnformeerd.. Ik kan mij voorstellen dat dit onbevredigend voor u is, ik zie echter geen mogelijkheid om u op enige wijze aan uw onvrede tegemoet te komen.
Een kopie van deze brief stuur ik naar de waarnemend sectorvoorzitter kanton en aan de kantonrechter
mr. M.G.L.den Os-Brand.
Hoogachtend,
Namens het bestuur van de rechtbank,
w.g. H.F.M. Hofhuis
president