Rechtbank “s Gravenhage
Postbus 20302,
2500EH den Haag
t.a.v. secretariaat Klachtenbureau President. Wilhelminaoord, 15 juni 2006
Geachte Heer Hofhuis,
Ondanks een aan u toegezonden reminder d.d. 18 mei 2006 mocht ondergetekende tot op heden nog steeds geen antwoord ontvangen inzake de door hem aan u geschreven brieven d.d. 7 maart resp. 16 januari 2006.
Laatstgenoemde brief behelsde een reactie op uw brief d.d. 12 januari 2006, waarin u ondergetekende uitnodigde te reageren op een door hem aan mevrouw den Os d.d. 30 december 2005 geschreven brief, die door u blijkens de eerste alinea van uw brief ten onrechte als klacht werd opgevat.
In zijn brief d.d. 16 januari 2006 heeft ondergetekende te uwer kennis gebracht dat dit geenszins de bedoeling was van de door hem aan mevrouw den Os geschreven brief, doch dat haar leugenachtige verklaring, zoals in uw brief van 12 januari 2006 omschreven, voor ondergetekende juist aanleiding was alsnog een klacht in te dienen, om reden zoals in zijn brief van 16 januari 2006 uiteen gezet.
In uw brief van 7 februari 2006 geeft u vervolgens aan dat het u niet mogelijk is hierop inhoudelijk en processueel te reageren om reden dat dit niet te rijmen zou zijn met de onafhankelijkheid van de rechter.
Dit argument als juist aannemende, doet bij ondergetekende de vraag rijzen, waarom u zich destijds gemengd heeft in deze onverkwikkelijke affaire.
Hoewel ondergetekende u intelligent genoeg acht om uit de inhoud van zijn brieven d.d. 7 maart resp. 18 mei 2006 te kunnen distilleren dat de door hem op 7 maart 2006 ingediende klacht jegens mevrouw den Os niets uitstaande heeft met de onafhankelijkheid van de kantonrechter, doch des te meer met haar leugenachtige verklaring als zou ondergetekende haar onjuist hebben voorgelicht om alsnog voor een hogere onkostenvergoeding in aanmerking te komen.
Gelet op de redactie van de laatste alinea van zijn brief d.d. 18 mei 2006 zult u het ondergetekende dan ook niet euvel duiden dat hij het niet reageren op zijn twee als laatste verzonden brieven hem hoogst onverstandig voorkomt.
Aangezien hij er bovendien voorts nog van uitgaat dat ook een president van de rechtbank de meest elementaire regels van fatsoen in acht neemt, meent hij thans op korte termijn een relevante beantwoording van zijn brieven te mogen verwachten.
Hoogachtend,
w.g. J.C. de Wilde