Rechtbank ’s Gravenhage,
Sector kanton, locatie Leiden
Postbus 1171
2301 ED Leiden.
T.a.v. Mw. Mr. M.G.L. den Os-Brand
Ktg nr. 526548 30 december 2005,
Mevrouw,
Ondergetekende diende zich op 18 oktober 2005, blijkens een ontvangen dagvaarding te verantwoorden inzake een door hem gepleegde snelheidsovertreding van maar liefst vier kilometer per uur, dus minder dan de loopsnelheid van een wandelaar.
Ieder weldenkend mens zal het met ondergetekende eens zijn dat deze tenlastelegging niets uitstaande heeft met verkeershandhaving, maar dat het hier puur gaat om het uitmelken van de automobilist.
Wat hem op die dag hogelijk verbaasd heeft is dat u als fungerend kantonrechter deze zaak kennelijk niet in behandeling wenste te nemen en ondergetekende bij het verlaten van de zaal toebeet dat een andere rechter de honneurs voor wat betreft zijn zaak zou waarnemen.
Dit leidde vervolgens tot grote hilariteit van de overige aanwezigen verdachten in de zaal tot een kleedpartij achter de coulissen, hetgeen bij ondergetekende associaties opriep van een amateur toneel gezelschap in een of ander patronaatsgebouw.
Dit beeld werd nog versterkt toen na enkele luttele minuten de deur weer eensklaps geopend werd en de heer van Leeuwen in een kennelijk te korte toga ten tonele verscheen.
U zult het ondergetekende dan ook niet euvel duiden dat een dergelijk potsierlijk optreden, mede gelet op de ernst van de onderhavige zaak niet bepaald bijdraagt tot het respect en aanzien van de rechtspraak.
Aangezien het proces-verbaal van deze terechtzitting omtrent de reden van deze wonderlijke manoeuvre geen uitsluitsel biedt, zou ik het op prijs stellen, indien u mij hieromtrent zou willen informeren.
Ondergetekende gaat er hierbij vooralsnog niet van uit dat uw handelswijze iets uitstaande heeft met de terechtzitting van 29 oktober 2004 (ktg nr. 431777/04.268 waarin hij zich moest verantwoorden voor het feit dat hij als gevolg van overmacht, (volgens de tegen hem uitgebrachte dagvaarding), zijn auto had geparkeerd op een trottoir, terwijl het in werkelijkheid een verharde middenberm betrof.
Hoewel hij bij instelling van beroep zowel middels een foto-opname van de betreffende locatie, alsook middels een rapport van het C.R.O.W. (het kennis platform infrastructuur verkeer, vervoer, openbare ruimte) had bijgesloten ten einde het O.M. duidelijk te kunnen maken wat het verschil is tussen een trottoir en een verharde middenberm, was dit blijkbaar onvoldoende om het O.M. van zijn gelijk te overtuigen.
Ondergetekende vraagt zich dan ook af wat het nut is van de procedure, zoals die in de wet Mulder is vastgelegd, anders dan een stel ongemotiveerde ambtenaren op kosten van de automobilist aan het werk te houden om de werkeloosheidscijfers te camoufleren
Aangezien de jonge dame, die blijkens de ontvangen dagvaarding omschreven als vertegenwoordiger van de officier van justitie, ten aanzien van dit punt in haar requisitoir volhardde en u in eerst aanleg de indruk wekte met haar kromme redenering en gebrekkige kennis van zaken mee te gaan, heeft ondergetekende, zoals een kok een smakelijke ossenhaas braadt van een koeienlijk, met succes gehakt gemaakt van de uitgekraamde onzin van de betreffende jongedame.
Gelet op de toonhoogte van de later met u gevoerde correspondentie, een gevolg van het feit dat u in een later stadium weigerde de door ondergetekende gemaakte reiskosten, ondanks oorspronkelijke bewilliging te vergoeden, is zijn verweer bij u blijkbaar niet in goede aarde gevallen.
Immers bij indiening van de gewraakte declaratie waarbij duidelijk werd aangegeven dat het reizen per openbaar vervoer geen optie was, heeft u met de door ondergetekende gemaakte autokosten ingestemd op voorwaarde dat hij de gederfde arbeidsuren niet in rekening zou brengen.
Blijkbaar heeft de aan u gerichte brief d.d. 30 december 2004, hoewel scherp doch correct van toonzetting, uw egootje dusdanig geraakt, dat u in weerwil van de meest elementaire vormen van fatsoen genoemde brief heeft geretourneerd, zonder inhoudelijk hierop te hebben gereageerd.
Ondergetekende meent zijn reactie op een dergelijk onbeschoft optreden met zijn aangetekend schrijven
d.d. 26 januari 2005 voldoende aan u te hebben duidelijk gemaakt.
Wat hij zich thans wel afvraagt is of uw vreemde reactie van 18 oktober 2005 nog een gevolg is van uw kennelijke frustraties, rondom deze affaire.
Indien ondergetekende voor uw merkwaardig optreden een verklaring onthouden wordt, ziet hij dit als een bevestiging van zijn opvatting dat een rechter met een dusdanig wraakzuchtige karakterstructuur het juiste profiel mist om als zodanig te functioneren en overweegt hij dan ook zijn bevindingen ter bestemde plaatse onder de aandacht te brengen.
Hoogachtend,
w.g. J.C. de Wilde