Vrijdagmorgen 16 januari 2004 teisterde een harde storm (windkracht 9) gepaard met hevige slagregens ons land. Bij het krieken van de dag, het was nog donker, reed ik vanuit de binnenstad van Leiden, op het Schuttersveld, een uitvalsweg in de richting Oegstgeest, toen mijn auto het liet afweten. Ongelukkigerwijs gebeurde dit op ongeveer 60 meter van een met verkeerslichten beveiligd kruispunt, bijgevolg op een weggedeelte met daarop aangebrachte sorteerstroken. Daardoor vormde de auto niet alleen een hinderlijk, doch door het bijzonder slechte weer tevens een gevaarlijk obstakel. Met behulp van andere automobilisten is de auto van het linker weggedeelte naar de zijkant van de weg geduwd op een verharde middenberm, die de begrenzing vormt tussen het fietspad en de rijweg.Nadat de auto aldaar met knipperlichten aan op het genoemde weggedeelte was neergezet heeft ondergetekende direct zijn garage gebeld en in zijn auto de komst van het garagepersoneel afgewacht. Mede door het aantal bij de garage binnengekomen meldingen van storing kon eerst rond 9.45 uur de storing aan mijn auto worden verholpen.
Tot mijn niet geringe verbazing ontving ik na een zestal weken een beschikking van het C.J.I.B, (centraal justitieel Incasso Bureau) met het verzoek om 45 Euro over te maken naar genoemd instituut om reden dat ik op
16 januari 2004 om 10.22 uur als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijweg had gebruikt, doch mijn auto had laten stilstaan op het trottoir/voetpad.
Hierop heb ik op 31 maart 2004 beroep aangetekend bij de officier van justitie tegen de mij toegezonden beschikking, waarbij ik de ontstane situatie uitvoerig uiteengezet heb. Ook heb ik hierbij melding gemaakt van de barre weersomstandigheden van dat moment; vervolgens gewezen op het feit, voor zo ver dit nog niet duidelijk was, dat hier sprake was van overmacht en bovendien een verklaring van mijn garage bijgesloten, ten einde het waarheidsgehalte van mijn verhaal te bevestigen. Tevens heb ik mijn verbazing uitgedrukt over het feit dat de koene speurders van de politie Hollands Midden mij als inzittende van de auto geen proces-verbaal hadden uitgereikt, dan wel dit proces-verbaal niet als kennisgeving achter een van de ruitenwissers van mijn auto hadden gedeponeerd. Hierbij heb ik als mijn veronderstelling uitgesproken dat deze wakkere veldwachters, waarschijnlijk als gevolg van de slechte weersomstandigheden zich niet de moeite hadden getroost zich buitengaats te wagen, doch in hun verwarmde surveillanceauto het proces-verbaal hadden uitgeschreven. Dat de betreffende agenten geen klok konden kijken, gelet op het door hun vermelde tijdstip van de door hun geconstateerde overtreding (10.22 uur) zijnde het tijdstip dat ik mij reeds in Amsterdam bevond, heb ik verzuimd te melden, alhoewel ik gelet op het bevattingsvermogen van de Officier van Justitie betwijfel of dit enig effect zou hebben gesorteerd.Beslissing van de Officier van Justitie
Bovengenoemde beslissing werd mij op 13 april 2004 toegezonden.
In het betreffende stuk werd mij meegedeeld dat de aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van deze magistraat niet zodanig waren dat de sanctie achterwege had moeten blijven Voorts verwees hij naar artikel 10, eerste lid Reglement verkeersregels en verkeerstekens, waarin is bepaald dat bestuurders van motorrijtuigen verplicht zijn de rijbaan te gebruiken en ieder gebruik van een ander weggedeelte verboden is. Uit de stukken was hem bovendien gebleken, dat het voertuig met vier wielen op het trottoir geparkeerd stond, terwijl toch duidelijk sprake was van een verharde middenberm.Met dit oordeel wekt deze magistraat de indruk niet van deze wereld te zijn.
Immers geen enkel normaal denkend mens zou in dit soort gevallen zijn auto hebben laten staan midden op een
druk bereden uitvalsweg en zeer zeker niet onder de geschetste weersomstandigheden waarbij het daglicht nog niet tot volle wasdom was gekomen, met alle rico’s van dien.
Verontrustend is het hierbij te moeten vaststellen dat bij het O.M. lieden werkzaam zijn voor wie wetten, regels en voorschriften belangrijker zijn dan mensen en emoties. Ik wijs er vervolgens op dat destijds als gevolg van dit soort slaafse ambtenarij het grootste deel van onze joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog is afgevoerd.Voorts werd in antwoord op mijn brief verwezen naar artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften waarbij een aansprakelijkheid wordt toegekend aan de kentekenhouder in die gevallen waarin de bestuurder niet aanstonds bekend is geworden. Uit de op deze zaak betrekking hebbende stukken was voorts gebleken dat er in de onderhavige zaak een constatering door de verbalisant had plaatsgevonden op kenteken, derhalve was de bestuurder van het motorvoertuig niet aanstonds bekend geworden, zoals bedoeld in genoemd artikel. Als klap op de vuurpijl deelde de officier van justitie mij nog mee, dat hij ook artikel 4 van de hierboven
genoemde wet in zijn overwegingen had betrokken, waarin staat omschreven dat indien de kennisgeving van beschikking niet aanstonds kan worden overhandigd de beschikking binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden via de post, naar het adres van de kentekenhouder dient te worden gezonden.
Kennelijk voldaan besluit de officier van justitie zijn verhaal af met de constatering dat in de onderhavige zaak aan deze verplichting is voldaan. Derhalve was hij de mening toegedaan dat in dit geval geen sprake was van schending van een beginsel van behoorlijk bestuur.
Tot mijn niet geringe verbazing ontving ik na een zestal weken een beschikking van het C.J.I.B, (centraal justitieel Incasso Bureau) met het verzoek om 45 Euro over te maken naar genoemd instituut om reden dat ik op
16 januari 2004 om 10.22 uur als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijweg had gebruikt, doch mijn auto had laten stilstaan op het trottoir/voetpad.
Hierop heb ik op 31 maart 2004 beroep aangetekend bij de officier van justitie tegen de mij toegezonden beschikking, waarbij ik de ontstane situatie uitvoerig uiteengezet heb. Ook heb ik hierbij melding gemaakt van de barre weersomstandigheden van dat moment; vervolgens gewezen op het feit, voor zo ver dit nog niet duidelijk was, dat hier sprake was van overmacht en bovendien een verklaring van mijn garage bijgesloten, ten einde het waarheidsgehalte van mijn verhaal te bevestigen. Tevens heb ik mijn verbazing uitgedrukt over het feit dat de koene speurders van de politie Hollands Midden mij als inzittende van de auto geen proces-verbaal hadden uitgereikt, dan wel dit proces-verbaal niet als kennisgeving achter een van de ruitenwissers van mijn auto hadden gedeponeerd. Hierbij heb ik als mijn veronderstelling uitgesproken dat deze wakkere veldwachters, waarschijnlijk als gevolg van de slechte weersomstandigheden zich niet de moeite hadden getroost zich buitengaats te wagen, doch in hun verwarmde surveillanceauto het proces-verbaal hadden uitgeschreven. Dat de betreffende agenten geen klok konden kijken, gelet op het door hun vermelde tijdstip van de door hun geconstateerde overtreding (10.22 uur) zijnde het tijdstip dat ik mij reeds in Amsterdam bevond, heb ik verzuimd te melden, alhoewel ik gelet op het bevattingsvermogen van de Officier van Justitie betwijfel of dit enig effect zou hebben gesorteerd.Beslissing van de Officier van Justitie
Bovengenoemde beslissing werd mij op 13 april 2004 toegezonden.
In het betreffende stuk werd mij meegedeeld dat de aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van deze magistraat niet zodanig waren dat de sanctie achterwege had moeten blijven Voorts verwees hij naar artikel 10, eerste lid Reglement verkeersregels en verkeerstekens, waarin is bepaald dat bestuurders van motorrijtuigen verplicht zijn de rijbaan te gebruiken en ieder gebruik van een ander weggedeelte verboden is. Uit de stukken was hem bovendien gebleken, dat het voertuig met vier wielen op het trottoir geparkeerd stond, terwijl toch duidelijk sprake was van een verharde middenberm.Met dit oordeel wekt deze magistraat de indruk niet van deze wereld te zijn.
Immers geen enkel normaal denkend mens zou in dit soort gevallen zijn auto hebben laten staan midden op een
druk bereden uitvalsweg en zeer zeker niet onder de geschetste weersomstandigheden waarbij het daglicht nog niet tot volle wasdom was gekomen, met alle rico’s van dien.
Verontrustend is het hierbij te moeten vaststellen dat bij het O.M. lieden werkzaam zijn voor wie wetten, regels en voorschriften belangrijker zijn dan mensen en emoties. Ik wijs er vervolgens op dat destijds als gevolg van dit soort slaafse ambtenarij het grootste deel van onze joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog is afgevoerd.Voorts werd in antwoord op mijn brief verwezen naar artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften waarbij een aansprakelijkheid wordt toegekend aan de kentekenhouder in die gevallen waarin de bestuurder niet aanstonds bekend is geworden. Uit de op deze zaak betrekking hebbende stukken was voorts gebleken dat er in de onderhavige zaak een constatering door de verbalisant had plaatsgevonden op kenteken, derhalve was de bestuurder van het motorvoertuig niet aanstonds bekend geworden, zoals bedoeld in genoemd artikel. Als klap op de vuurpijl deelde de officier van justitie mij nog mee, dat hij ook artikel 4 van de hierboven
genoemde wet in zijn overwegingen had betrokken, waarin staat omschreven dat indien de kennisgeving van beschikking niet aanstonds kan worden overhandigd de beschikking binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden via de post, naar het adres van de kentekenhouder dient te worden gezonden.
Kennelijk voldaan besluit de officier van justitie zijn verhaal af met de constatering dat in de onderhavige zaak aan deze verplichting is voldaan. Derhalve was hij de mening toegedaan dat in dit geval geen sprake was van schending van een beginsel van behoorlijk bestuur.
Toegegeven, parate wetskennis kan deze magistraat niet worden ontzegd. Het zou echter van realiteitsbesef getuigd hebben, indien hij in zijn schrijven ook zou hebben gerefereerd aan wetsartikelen die plichtsverzuim van politie-beambten aan de kaak stellen. Edoch, justitiƫle aandacht in die richting brengt geen geld in het laatje en heeft dientengevolge blijkbaar geen prioriteit.